Oudezijdsvoorburgwal 334, 1012 GM Amsterdam

Mario ter Braak

Wat in de schilderijen van Mario ter Braak opvalt is de strakke ordening der dingen. Fruit ligt netjes in een lijn op het tafelblad, dode vissen zijn keurig uitgestald op een schaal of bloemen worden gedrapeerd als een waaier. Kenmerkend voor een stilleven is dat de kunstenaar ordening aanbrengt in de objecten die hij gaat schilderen. Hij componeert ze tot een samenhangend en esthetisch interessant geheel.

Mario ter Braak doet dit ook, maar tegelijkertijd zet hij vraagtekens bij deze vanzelfsprekendheid. Hij maakt de ordening van de voorwerpen expliciet zichtbaar door hem extra te benadrukken. Daarbij stelt hij de even vanzelfsprekende hierärchie tussen voor- en achtergrond in een stilleven ter discussie. In zijn schilderijen speelt de achtergrond, zoals een overdadig bedrukt tafelkleed, een even nadrukkelijke rol als de objecten zelf. Bovendien stelt hij vragen naar de betekenis der dingen. In een traditioneel stilleven herkennen we de objecten door hun onderlinge samenhang. Een vaas met bloemen zien we als zodanig. Ter Braak haalt de objecten uit hun context. Hij gebruikt wel de elementen uit het klassieke stilleven, maar bij hem is de logica verdwenen. Op een tafel zien we nu bijvoorbeeld één vis en vijf Chinese kolen. Deze combinatie past niet in ons beeld van wat we verwachten als we een maaltijd gaan bereiden.


De kunstenaar stelt niet zozeer het genre van het klassieke stilleven ter discussie, als wel de vanzelfsprekendheid waarmee we kijken en interpreteren. Zijn we ons bewust van de vele stappen die we zetten als we een schilderij bekijken? We zoeken naar herkenning van een beeld, naar een diepere betekenis, naar het gevoel dat de voorstelling bij ons oproept en naar zijn esthetische schoonheid. Ter Braak noemt dit de 'gedifferentieerde raadselachtigheid' van het schilderij. In de meeste werken uit de kunstgeschiedenis prevaleert het ene aspect boven het andere. De schilder probeert al deze elementen een gelijkwaardige positie in zijn schilderijen te geven.

De fascinatie voor het kijken, de manier waarop we zien, komt bij Ter Braak voort uit verwondering. Na het afronden van zijn studie aan de Academie Minerva te Groningen schilderde hij de dingen om zich heen die hem troffen: een hoekje van zijn atelier, het uitzicht uit het raam, een vrouw in een kamer, etc.. De onderwerpen deden zich eenvoudigweg aan hem voor en hij schilderde ze om te onderzoeken wat het licht ermee deed. Zijn belangstelling ging toen vooral uit naar de ruimtelijke werking in een plat vlak. Na verloop van tijd begon hij met objecten te schuiven, hun positie te veranderen, ze in een andere context te zetten en raakte hij gefascineerd door de verandering die ze ondergingen. De dingen verloren hun alledaagse betekenis.

Als toeschouwer is ons kijkgedrag in hoge mate bepaald door wat ons onder ogen komt uit de geschiedenis van de kunst. Een klassiek tafelstilleven is altijd van opzij geschilderd, terwijl we in het dagelijks leven van boven op een tafel kijken. Ter Braak speelt met deze conventies door zijn voorstellingen plat liggend op het tafelblad te schilderen waardoor er verwarring ontstaat over de aard van het schilderij. Het wordt als het ware het tafelblad zelf - de schilder spreekt dan ook liever van 'tafelranden' dan van een stilleven.
En wat gebeurt er als het schilderij opgehangen wordt? Hangen of liggen de objecten dan? Dit effect wordt nog versterkt doordat de kunstenaar vaak bij tl-licht schildert, wat geen slagschaduw oplevert, waardoor de voorstelling platter wordt. Wie zich van de bedoelingen van de kunstenaar bewust wordt, gaat werkelijk met andere ogen kijken.