Oudezijdsvoorburgwal 334, 1012 GM Amsterdam

Koos van Keulen

Fascinatie voor portretten en architectuur diende zich in haar beginperiode in de jaren zestig en zeventig aan, toen ze deel uitmaakte van een realistische schilderbeweging die zich concentreerde rond Galerie Mokum. Haar werk sloot destijds aan bij bet beeldrepertoire van deze beweging.

Het fijn geschilderde Mokum repertoire werd voor Koos van Keulen stilaan een keurslijf, dat ze steeds meer als beklemmend ervoer. Lange tijd heeft ze in haar werk geworsteld om hiervan los te komen De jaren tachtig en begin jaren negentig waren voor haar dan ook een tijd van experiment. De herkenbare voorstelling werd steeds meer teruggedrongen, soms zelfs tot op de grens van totale abstractie. Zo ontstonden beelden waarin de ruimte uiteen leek te spatten in een explosie van lucht, wolken en flarden van steenachtige engelfiguren. Dan weer werd de voorstelling ontleed in architectuurfragmenten die vrijelijk zweefden in het vlak. waarbij de omlijsting deel ging uitmaken van de voorstelling zelf Het schilderij kreeg iets fresco-achtigs, alsof de schilder op zoek was naar een meer beknopte, emblematiscbe wijze van schilderen. Een nieuwe vorm van figuratie diende zich aan, waarbij het vlak steeds meer een zelfstandige waarde kreeg.

Die lange en onrustige periode van afbraak en experiment werd midden jaren negentig afgesloten. In het werk, dat sindsdien is ontstaan lijkt een nieuwe balans gevonden. De ruimte is weer tot rust gekomen, de voorstelling in ere herstelt. Maar er is ook een andere manier van schilderen ontstaan, vrijer, met lossere toetsen die zich voor het oog mengen in zinderende kleurvlakken.

Mensen lijken eens meer bevroren in de tijd Ze staan of zitten, verstild, vereeuwigd, vast gemetseld in het vlak, als een gebouw dat roerloos afsteekt tegen de lucht. Het licht strijkt langs hun lichamen. Een schouderpartij steekt fel af tegen het duister. Een hand ligt bovenop de gedekte tafel. Het is of het alledaagse wordt opgeladen tot iets sacraals.

Zo ontstaat telkens weer een verstilde wereld van mensen en gebouwen. Het realisme van voorheen wordt opnieuw in scène gezet. Het beeldvlak is nu omkaderd in een zware lijst, schuin aflopend, zodat het vlak niet alleen verdwijnt in een illusoir verschiet, maar ook letterlijk oprijst uit de muur, Dit spel met het beeld als vlak en venster tegelijk herhaalt zich keer op keer als een onoplosbaar raadsel. Soms op het scherpst van de snede, als een figuur dat door een raam in een andere ruimte kijkt. Of is het soms een schilderij aan de muur dat hij ziet?

Of misschien zelfs een onmogelijke spiegel met een knipoog naar Magritte?

Zo roepen die schilderijen van Koos van Keulen wonderlijke vragen op en in deze schilderijen komen beelden van vroeger telkens weer bovendrijven uit een denkbeeldige ruimte, waar ze als herinnering voor altijd liggen opgeslagen en alleen in de verfstreken van een schilder met een fotografisch geheugen opnieuw tot leven kunnen komen.